Tijdperken van modeltreinen in Nederland, Belgie en Duitsland

Miljoenen artikelen

Modeltreinen zijn verkrijgbaar in veel verschillende stijlen. Niet alle stijlen gaan even goed samen of zoals de echte verzamelaars zeggen, zijn uit een ander tijdperk. Om hier overzicht in te houden zijn alle wagons en treinen die uitkomen opgedeeld in 5 tijdperken. Hieronder bespreken wij de tijdperken voor de in Nederland veel voorkomende landen, namelijk: België, Duitsland en Nederland. Het is hier opgedeeld in deze drie landen omdat er kleine verschillen per land zijn in wanneer een tijdperk begon en eindigde.

Voor de kenners zijn tijdperken makkelijk te herkennen omdat elk tijdperk een duidelijk begin en eindpunt heeft. Denk bijvoorbeeld aan de tijd dat er nog geen staatsbedrijven waren en het spoor volledig in handen van was vele (kleinere) particuliere bedrijven. Als je dus een NS trein ziet weet je zeker dat deze niet in dat tijdperk thuis hoort.

In mijn ogen kun je best wat soepeler met de tijdperken omgaan omdat in werkelijkheid altijd nog oudere treinen bleven rijden in ‘nieuwere’ tijdperken. Wees dus niet bang om een oudere trein op een buitenbaantje of een rangeerterrein te gebruiken, dat gebeurt in het echt soms ook!

Voor Nederland zijn de tijdperken als volgt ingedeeld:

Aanduiding Tijdperk
I 1839 – 1925.
In deze tijd worden er verschillende nieuwe spoorwegmaatschappijen opgericht die eigen lijnen aanleggen. De eerste ligt tussen Amsterdam en Haarlem, aangelegd en in 1839 opgeleverd door de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (HIJSM).Aanvankelijk wordt alles aangelegd in breedspoor, maar al gauw stapt men over op normaalspoor. In 1866 ligt er in het hele land, voorzover er spoor ligt, normaalspoor.
II 1925 – 1947.
Vanaf 1917 worden stappen gezet om tot een nationale spoorwegmaatschappij te komen. De twee grootste maatschappijen van dat moment, de HSM en de StaatsSpoorwegen (SS), gaan samenwerken onder de noemer ‘Nederlandse Spoorwegen’ (NS). Het duurt tot eind jaren ’30 voor alle grote maatschappijen overgenomen zijn. De elektrificatie van het spoorwegnet begint. De ‘Oude lijn’, inderdaad: de oudste, tussen Haarlem en Amsterdam, wordt als eerste van stroom voorzien. En er komt voor het eerst dieselmaterieel op het Nederlandse spoor. Tot 1950 vind je in Nederland bijvoorbeeld Duitse locomotieven op het spoor die, als genoegdoening voor het aangedane leed tijdens de oorlogsperiode, de sterkte van de NS op peil moeten brengen. Maar deze locomotieven gaan al voor 1950 weer naar Duitsland terug.
III 1945 – 1968.
Er blijft Engels en Amerikaans legermaterieel in Nederlandse dienst en er komen Zwitserse stoomlocomotieven bij, die de NS daar vlak na de oorlog gekocht heeft. Het is een tijd met bonte kleuren: het donkergroen van voor de oorlog wordt langzaam vervangen door, eerst, turquoise, maar als die kleur niet kleurvast blijkt, donker (Berlijns) blauw voor de elektrische treinen. Dieselmaterieel wordt rood geschilderd en elektrische treinstellen krijgen een lichtere tint groen opgespoten.In 1958 gaat de laatste stoomlocomotief uit reguliere dienst. Verder verdwijnt de derde klasse.
IV 1968 – 1989.
De NS introduceert de nu zo bekende gele kleur op al het materieel. Stoptreinen krijgen schuine blauwe banen, op het intercity-materieel loopt een blauwe baan horizontaal over de ramen. Met het programma ‘Spoorslag ’70‘ komt er veel nieuw materieel op het Nederlandse net.
V 1989 – heden.
De NS worden opgesplitst in een reizigers-vervoerder en een vrachtvervoersbedrijf. Al gauw komen er ook andere maatschappijen op het net. Vooral bij de vrachtvervoerders heeft Nederland weer een heel divers spoorbeeld.Bij het reizigersvervoer loopt het niet zo hard: een kort experiment van Lovers Rail, tussen Amsterdam en IJmuiden, mislukt. Wel komen er regionale vervoerders op de zijlijnen, zoals NoordNedVeolia en Connexxion.

Voor België zijn de tijdperken als volgt ingedeeld:

Aanduiding Tijdperk
I 1835 – 1925.
Na de onafhankelijkheid van Nederland besefte de regering dat spoorlijnen de economie een flinke impuls konden geven. Er werd besloten direct een nationaal spoorwegnet aan te leggen van zo’n 400 km. Op 5 mei 1835 werd hiervan de eerste lijn, tussen Brussel en Mechelen, in gebruik genomen.Een grote hoeveelheid aan particuliere maatschappijen verscheen op het spoor, waaronder ook de wereldbefaamde Compagnie Internationale des Wagons-Lits voor het (luxe) internationale treinvervoer, waaronder de vermaarde Oriënt Express.Toch nam de Belgische staat al gauw enkele grote bedrijven over, om een staatsbedrijf te beginnen. Deze periode wordt afgesloten na het herstel van de Eerste Wereldoorlog en vlak voor de oprichting van de NMBS.
II 1925 – 1945.
Het staatsbedrijf werd opgericht. Aanvankelijk heette het ‘N.M.B.S.W/S.N.C.F.B.’. Tot aan 1934 werd het embleem B.M.S.- C.F.B. gevoerd, daarna kwam het bekende monogram met de B op de treinen te staan. De eerste elektrische treinen werden in gebruik genomen en ook de metalen rijtuigen deden hun intrede in deze periode.Het tijdperk eindigt met de Tweede Wereldoorlog, waarin vooral militaire treinen op het net te vinden waren. Eerst de Duitse, later die van de geallieerden.
III 1945 – 1970.
Het herstel na de oorlog ziet de laatste, al voor de oorlog bestelde stoomlocomotieven op het net verschijnen (Type 29). Veel zijlijnen werden opgeheven en de laatste particuliere maatschappijen werden overgenomen. Nieuwe elektrische locomotieven kwamen op het spoor en de Noord-Zuid verbinding werd opengesteld. Verder kwamen de TEE-treinen op het spoor. Aan het einde van deze periode werden de laatste stoomlocomotieven uit dienst genomen.
IV 1970 – 1990.
De treinen kregen nieuwe nummeringen en nieuwe kleuren. De elektrificatie van het net werd verder doorgevoerd en diesel-lokomotieven werden vervangen door nieuw elektrisch materieel. Ook werd het net nogmaals geherstructureerd, waardoor lijnen en stopplaatsen verdwenen.
V 1990 – heden.
Wederom werden de kleuren veranderd. Verder werden de hogesnelheidslijnen aangelegd. De N.M.V.B./S.N.C.V., de maatschappij die het regionale tramvervoer voor haar rekening nam, werd ontbonden. Deze taak wordt nu uitgevoerd door drie gewestelijke maatschappijen.

 

 

Voor Duitsland zijn de tijdperken als volgt ingedeeld:

Aanduiding Tijdperk
I 1835 – 1920.
Duitsland als land bestaat nog niet. Het huidige Duitsland vormde, samen met ongeveer het huidige Oostenrijk, een federatie van onafhankelijke staten en koninkrijken. Binnen deze federatie waren Pruisen en Oostenrijk de belangrijkste landen.Hierdoor ontstonden vele nationale en particuliere spoorwegmaatschappijen. Deze periode wordt dus gekenmerkt door een grote diversiteit aan maatschappijen en de bijbehorende treinen in velerlei kleurstellingen. Pas na de Frans-Duitse oorlog in 1871 wordt het Duitse Keizerrijk gevormd.Na de eenwording van Duitsland wordt er langzaam gewerkt naar één staatsbedrijf (via, eerst, negen). Het volledige spoornet wordt uitgebouwd en de grote diversiteit verdwijnt. Grote sneltreinlocomotieven komen op het spoor en de kleurstelling wordt een standaard zwart voor de stoomlocomotieven en groen voor de passagiersrijtuigen.De internationale spoorwegmaatschappij Mitropa wordt opgericht en als klap op de vuurpijl vecht Duitsland zich van 1914 tot en met 1918 een slag in de rondte tijdens de Eerste Wereldoorlog.
II 1920 – 1950.
Dit is een periode van standaardisatie. De verschillende Duitse spoorwegen worden opgenomen in de ‘Reichsbahn’, meestal afgekort tot DRG. De eerste elektrische treinen verschijnen op het spoorwegnet en personenrijtuigen worden gestandaardiseerd. De vierde klasse wordt afgeschaft en de Mitropa-rijtuigen worden rood. Nadat de nazi’s aan de macht zijn gekomen wordt de ‘Reichsadler’ als symbool op de locomotieven en rijtuigen gevoerd. Ook worden de spoorwegen van het Saarland en Oostenrijk (na de annexatie in het net opgenomen. Niet lang daarna breekt de Tweede Wereldoorlog uit. De ‘Kriegslokomotive” wordt ontwikkeld en alles staat in het teken van de oorlog. Aan het eind hiervan is er niet veel meer over van de Duitse spoorwegen. Alles ligt in puin. Bovendien wordt Duitsland opgedeeld in twee staten: West-Duitsland ofwel ‘Bundesrepublik Deutschland’ (BRD) en Oost-Duitsland ofwel ‘Deutsche Demokratische Republik’ (DDR).
III 1950 – 1970.
De deling van Oost en West is een feit. In het westen is het de ‘Deutsche Bundesbahn’ (DB) die voor het spoorbedrijf zorgt, in het Oosten is dat de ‘Deutsche Reichsbahn’ (DR). In beide landen zijn de spoorwegen grondig vernield. Het herstellen van het spoor wordt voortvarend aangepakt. Treinen worden gerepareerd en nieuwe treinen worden gebouwd. Zowel in het Oosten als het Westen komen er nieuwe stoomlocomotieven op het spoor, net als nieuwe dieseltreinen en elektrisch materieel. De Deutsche Reichsbahn zet aanvankelijk ook veel dubbeldeks-rijtuigen in. Verder wordt in beide landen een twee-klassensysteem ingevoerd, krijgen de rijtuigen nieuwe kleuren en worden seinen vernieuwd. Ook gaat men drie lichten voor voeren.
IV 1970 – 1990.
In deze periode wordt er weer van kleuren veranderd en worden internationale afspraken voor de registratie van rijtuigen ingevoerd. In de DDR verdwijnen de laatste stoomlokomotieven uit dienst. In West-Duitsland wordt een intercity-netwerk opgezet met aanvankelijk maar 1 klasse, later twee.
V 1990 – heden.
De muur valt en beide Duitslanden worden weer herenigd. De beide spoorbedrijven fuseren tot ‘Die Bahn’ (DB). Meteen wordt er een standaardisatie van kleuren en registraties doorgevoerd. Verder wordt het hogesnelheidsnet ontwikkeld, het ICE-net.